Home    

H&I     Dorpsfeestcomite     Braderie Harkema     PLB Harkema     Geschiedenis     Dorplinks     Recreatie en Toerisme     Adressenboek Harkema     Sport     Tuindorp    



 

Bedrijf van de maand

September


Vepra auto`s



 

Onderstaand is een sterk verkorte versie van het hoofdstuk uit het boek “Achtkarspelen, mensen, door de tijd”, geschreven door Douwe de Graaf en uitgegeven door uitgeverij Banda in Kollum.

 

Harkema, het dorp dat niet mocht bestaan.

 

Aan het eind van de achttiende eeuw kwam er een einde aan de vervening in het gebied wat nu Harkema heet. De investeerders die veel geld aan het “bruine goud” hadden verdiend trokken weg en lieten een kale, onvruchtbare vlakte achter waar de heide al snel opschoot. De veenarbeiders die onder erbarmelijke omstandigheden het veen hadden vergraven, bleven werkloos achter. Een enkeling vertrok naar andere verveninggebieden in Nederland en zelfs naar het buitenland, de meesten echter probeerden met vooral losse arbeid, vaak seizoensgebonden, voldoende geld te verdienen om “troch de tiid te kommen”.

Vanaf deze tijd vestigen zich de voormalige veenarbeiders op de heide; voor huisvesting werd er een spitkeet, meestal in één dag, gebouwd. Land was er voldoende, men vestigde er zich gewoon vaak zonder de eigenaar, de gemeente of de kerk toestemming te vragen. Zo ontstond op de heide een verzameling van plaggenhutten waarin meestal grote gezinnen in een zeer kleine ruimte woonden. De zo ontstane gemeenschap was geïsoleerd en had een afwijkende mentaliteit dan de omgeving. Het ontwikkelingspeil bleef laag, mede doordat de lokale overheid en armbesturen zich weinig om de spitkeet bewoners bekommerden. Er heerste diepe armoede met de daaraan
verbonden sociale misstanden.

Het gebied dat onder Drogeham viel werd de Hamsterheide genoemd, het gebied onder Surhuizum, werd de Surhuizumerheide genoemd. Ook kregen de verschillende gebiedjes waar een aantal spitketen bij elkaar stonden namen, zoals de Smoarhoeke, de Fûgelkamp, Barchhiem, de Bulten, de Dunen en de Bosk.

Rond 1850 begon de situatie te veranderen. Evangelisten en later dominee’s trokken zich de ellende waarin de heidebewoners leefden aan en probeerden de leefsituatie te verbeteren. Vooral het werk van ds. Lammert Warmolts moet genoemd worden. Het standpunt van de evangelisten en dominee’s die actief waren was dat zowel armoede als rijkdom door God gezonden was, men mocht er niet tegen opstaan. Dit was de reden voor het opkomende socialisme, waarbij men wel door middel van strijd zijn leefomstandigheden mocht verbeteren. Jelle Dam was, hoewel streng gelovig, een socialist van het eerste uur; later was dit Durk Mozes die zich als voorman van de socialistische beweging inzette voor de gewone arbeider. Langzamerhand verbeterde de situatie op de heide waarbij ook scholing en huisvesting stimulerende factoren waren. Er kwam een school en in het begin van de twintigste eeuw kwam de Woningwet waardoor er goedkope woningen voor de spitkeetbewoners gebouwd konden worden. In 1920 was er een echte kern van stenen huizen ontstaan, waardoor het zo ontstane dorp in 1921 de naam Harkema Opeinde kreeg. Zo groeide Harkema Opeinde uit tot een normaal dorp.

Na de oorlog in de jaren vijftig kwamen er een tweetal tendentieuze rapporten uit. Harkema Opeinde werd als probleemdorp met een zeer negatief beeld geschetst. Bewoordingen in de rapporten waren vaak naast de waarheid en kwetsend voor de bevolking. De rapporten beval de overheid aan om werkloze arbeiders te laten omscholen tot fabrieksarbeider en in de aangewezen industriekernen te gaan wonen, dit terwijl notabene de industriekern Surhuisterveen minder inwoners had dan Harkema Opeinde zelf, een wel heel vreemd advies. Eigenlijk mocht Harkema niet bestaan, er kwam geen geld om de misstanden in de huisvesting, veel houten barakken en keten, aan te pakken.

Maar de Harkemasters gingen hun eigen weg; als de lokale overheid niet bouwde dan zelf maar aan de slag. Zo ontstond er een volwaardig dorp dat zijn bestaansrecht en plaats in de gemeente heeft gevonden. Maar de oude mentaliteit van zelf je eigen zaakjes regelen, is bewaard gebleven en heeft Harkema een eigen gezicht gegeven.

 

Het dorp telde een aantal markante mensen. Vermeld dienen te worden zijn de bovengenoemde Lammert Warmolts, Jelle Dam en Durk Mozes. Maar ook Sjoerd en Rinze Kooistra, Freerk van de Veen en zijn broer Andries, Tiet Vaatstra, alias Tiet “Woartelpot”, Douwe “Moes” van de Wal en zelfs Durk Tabak mogen niet ongenoemd blijven.

 

Lammert Warmolts.

Lambertus Nankes Warmolts werd in 1845 in het Groningse Stedum geboren als zoon van de Hervormde dominee Nanco Warmolts, die in 1863 tot predikant in Surhuizum werd benoemd. Hij trouwde met Boukje Luimstra die een boerderij in Vierhuizen meenam uit haar eerste huwelijk met Egbert Buma. Bij toeval raakte Warmolts bij de hulp aan de heidebewoners betrokken. Zijn knecht Hendrik de Vries, wonende op de heide, werd ziek. Bij een ziekenbezoek zag Warmolts de armoede op de heide; hij trok zich het lot aan en trachtte praktische hulp te verlenen. Hij werd na een omweg predikant voor de Gereformeerde Kerk en slaagde in 1883 voldoende geld voor een zondagschool bijeen te brengen. In 1893 werd het houten gebouwtje door een stenen vervangen en werd het een volwaardige kerk. Vandaar uit verrichtte Warmolts zijn zendingswerk onder de heidebewoners. In 1908 kwam er een school en in 1909 een nieuwe kerk. Het succes van Warmolts was dat hij dicht bij de mensen stond. Ook zijn vrouw hielp hem mee met het zendingswerk. In 1908 verhuisde hij naar Augustinusga; elke dag liep hij naar de heide.

Op hogere leeftijd vond hij onderdak bij zijn zoon Nanco in Dorp, later op de boerderij in Leek die Nanco had gekocht.

Warmolts overleed in 1928, hij werd in Augustinusga begraven.

 

Jelle Dam.


Jelle Dam werd in 1857 in e en spitkeet op de Surhuizumerheide geboren; hij was een zoon van Durk Klazes Dam en Hinke Jans Pama. Het gezin leefde in grote armoede. Toch kreeg Jelle van zijn ouders de gelegenheid te gaan leren aan de Normaalschool in Buitenpost. Hij ging er vroegtijdig af omdat hij niet door zijn medeleerlingen geaccepteerd werd. In 1885 trouwde hij met Neeltje Hendrik Veenstra, ze kregen zes kinderen waarvan drie op jonge leeftijd overleden.

Eerst was Jelle los arbeider, later leerde hij het timmermansvak en kwam in dienst bij Klaas de Jong in Hamsherne. De twee mannen kregen respect voor elkaar en konden, ondanks het verschil in politiek opzicht, goed met elkaar opschieten. In 1892 stichtte Jelle een eigen timmermanszaak op de Surhuisterveensterheide. Hier was hij zeer actief voor de socialistische Volkspartij. Eind jaren negentig verhuisde het gezin naar de Parken in Opende waar dezelfde armoede heerste. Jelle werd benoemd om voor een commissie de woningtoestand te onderzoeken. Het rapport loog er niet om; uiteindelijk werd zijn advies opgevolgd en werden de kleine woningen en keten afgebroken en vervangen door grotere van steen.

Ondanks zijn slechte gezondheid, opgelopen in zijn jeugd bij het vlasbraken, was hij op hoge leeftijd nog actief voor de SDAP.

Jelle Dam overleed op 15 februari 1935.

 

Durk Mozes.

Durk Mozes werd geboren in 1894 en was een zoon van Klaas Mozes en Lamkje van der Veen. Omdat zijn moeder
twee jaar na zijn geboorte overleed werd hij, net als zijn neef Gerrit Mozes, opgevoed door zijn grootmoeder.

Na de mobilisatie van 1914-1918, brak de Spaanse Griep uit. In Harkema waren er, veroorzaakt door de slechte woon- en leefomstandigheden, veel slachtoffers,. Durk zag de wantoestanden en richtte in 1919 de plaatselijke SDAP op. In 1924 volgde nog, tezamen met Pier Hager en Klaas Wedzinga, de Landarbeidersbond die later in het NVV werd opgenomen. Ook was hij de oprichter van het Plaatselijk Belang en het lokale Groene Kruis.

Durk bleef gewoon arbeider en werkte in zijn jonge jaren voornamelijk op de Groningse klei. Tijdens de crisisjaren zat hij in de werkverschaffing.

Na de Tweede Wereldoorlog, in 1953, was hij voorman bij de staking van arbeiders van de zuivelfabriek “De Ommelanden”.

Op zijn negentigste verjaardag werd hij gehuldigd, hij was toen 65 jaar lid van de SDAP/PvdA.

Durk Mozes overleed in 1985.

 

Sjoerd en Rinze Kooistra, Frederik en Andries van der Veen.




Sjoerd werd geboren in 1894, Rinze in 1891, ze waren zonen van Wierd Rinzes Kooistra en Antje Roels Veenstra. Frederik van der Veen werd geboren in 1887 en was de jongere broer van Andries die in 1884 werd geboren; ze waren zonen van Marijke van der Veen, de vermoedelijke vader was Willem Weening.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vlak voor de kerst van 1911 waren Sjoerd, Rinze en Freerk eens goed doorgezakt in het café van Wouda in

Surhuisterveen, ze hadden veel drank op. Toen ze onder luid gezang en gescheld door het dorp liepen, kwam Rapke Wijma op de fiets voorbij. Rinze stak hem met zijn mes Rapke in de arm waarbij hij lachend opmerkte “dy ha ik in moaie opneuker jûn”. Het drietal liep lachend en zingend verder; Rapke fietste nog een paar honderd meter, viel toen van zijn fiets en stierf. Een uur later molesteerden ze de postbode Tjeerd Kamstra, het mes van Sjoerd ging hierbij dwars door de leren posttas. Een derde voorbijganger, Gerrit de Vries, kreeg van Freerk een jaap over zijn rug waarbij gelukkig alleen de jas beschadigd werd.

Op de rechtszaak kreeg Rinze zes jaar, Sjoerd twee jaar en acht maanden en Freerk twee jaar gevangenisstraf.

Zo eindigde het bezoek aan het café met veel drankmisbruik in een tragedie voor iedereen, slachtoffer en daders.

Na zijn gevangenisstraf trouwde Sjoerd met Jantje de Haan, dochter van Pieter de Haan, “Stikkene Pieter” ook wel Pieter “Stokje” genoemd en Elizabeth Kooistra; het paar kreeg vier kinderen. Ze woonden op verschillende plaatsen, waaronder de Buitenpostermieden waar Sjoerd bevriend werd met de kluizenaar Albert Koning.

Toen Rinze vrijkwam, trouwde hij kort daarna met Pietje van der Meulen, ze kregen in totaal elf kinderen.

Zo verloren de twee broers Sjoerd en Rinze Kooistra hun wilde haren en kwamen toch nog goed terecht.

 

Over Andries en Freerk van der Veen is ook veel te vertellen.

Andries had in 1919 tezamen met Bauke Oldenburger een roofmoord in de Surhuizumermieden gepleegd waarbij Jantje Postma, vrouw van Auke Hoekstra, het leven verloor. Ze werden veroordeeld, ze kregen beiden 18 jaar gevangenisstraf. Bauke werd na korte tijd overgeplaatst naar het Rijkskrankzinnigengesticht in Medemblik waar hij in 1959 overleed.

Andries zat zijn gevangenisstraf uit. Toen hij vrijkwam, ging hij voorlopig bij zijn broer Freerk inwonen. Later trouwde hij met Aafke Oldenburger en kwamen ze te wonen in de kazerne aan de Warreboslaan in Surhuisterveen.

 

Over Andries en Aaf doen vele verhalen de ronde.

Aaf had suikerziekte; op een keer kreeg ze zo’n erge flauwte dat dokter Volkerts moest komen. Op de vraag van de dokter of ze ook suiker gebruikte anwoordde Aafke dat ze “altyd klontsjes yn de kofje die”.

 

Aaf kreeg van de buurman een hond, ze was er erg blij mee, ze had er nog nooit een hond gehad. Voor haar was het een echte metgezel als Andries een week uit werken ging. Het bleek dat de hond in verwachting was. Toen de jonge hondjes waren geboren, riep ze de buurman, Andries was niet thuis, en vroeg hem hoe hij de hondjes vond. Toen ze er zo over stonden te praten, zei ze ineens “dêr koe wol in bline hûn opsitten ha, want se ha gjin eagen”. Wist zij veel.

 

 

Freerk van der Veen werd vele malen veroordeeld voor allerlei misdragingen en delicten. In 1917 trouwde hij met Hijlkje van der Bij. In 1930 scheidde het paar. In 1932 hertrouwde Freerk met Trijntje Hoekstra; Freerk overleed in 1954.

 

Durk Tabak.


Durk Tabak werd geboren op de Bulten in 1902 en was het zesde kind van Johannes Johannes Tabak en Antje Folkertsma. Een zuster, Sytske, overleed na 22 dagen en werd begraven op het armenkerkhof in Harkema.

Het was een arm gezin; soms waren ze zo arm dat de kinderen op zaterdagavond naakt naar bed moesten zodat hun moeder de gelegenheid had om de kleren uit te wassen om netjes op de zondagsschool te verschijnen.

Moeder Antje was zachtmoedig van aard, Durk werd als benjamin beschermd opgevoed. Toen Durk ouder was, kon ze hem niet aan; hij ging zijn eigen weg.

Vader Johannes was nogal stijfkoppig en onbuigzaam. Hij zat vaak door zijn koppigheid zonder werk. Durk was ook koppig en stond bij woordenwisselingen met zijn vader onbuigzaam tegenover elkaar.

Durk kwam al jong met Justitie in aanraking. Tijdens zijn lagere schooltijd pleegde hij een kleine diefstal en werd tot zes maanden tuchtschool veroordeeld. Later zat hij nogmaals op een tuchtschool; in 1925 werd hij tot vier maanden gevangenisstraf voor mishandeling veroordeeld.

In zijn jonge jaren had hij verschillende keren verkering, waaronder met Grietje Vaatstra, dochter van Tiet “Woartelpot” Vaatstra-van der Ploeg.

Durk kon door zijn koppigheid niet onder een baas staan; hij koos voor muzikant. Met zijn vrienden IJje Wijkstra, viervoudig moordenaar uit Kornhorn, en Jan Hut speelde hij op kermissen, feesten en bruiloften.

In 1930 ging het mis. Tijdens een bezoek aan café Jonker In Drachten stak hij Jan van der Meulen in de buik. Nadat Durk gevlucht was, overleed Jan ter plaatse aan zijn verwonding. Durk verstopte zich op het “hûske” van Jan Hut in de Kerkstraat; Jan Hut was na de moordpartij van IJje verhuisd naar Drachten. De politie arresteerde hem; voor het gerecht kreeg hij 15 jaar gevangenisstraf.

In 1945 kwam hij vrij en ging eerst bij zijn zwager in Augustinusga wonen. Later was hij in de kost bij Pieter en Grietje Groenland in Augustinusga. Terwijl Pieter in de slikken werkte, maakte Durk avances tegen Grietje Groenland-Hayema. Zij was er echter niet van gediend; uiteindelijk werd Durk de deur gewezen. Hij kreeg een nieuw kostadres in Surhuisterveen. Toch bezocht hij Grietje nog veel; zij bleef de was voor hem doen. Op 16 september 1949 was hij weer aan de deur bij Grietje. Een van de kinderen vertelde Durk dat hun moeder naar de Mieden was en zo terug kon komen. Durk wachtte haar op onder aan de brug bij Blauwverlaat. Toen ze daar aankwam kregen de beiden ruzie, waarop Durk haar in de borst schoot. Ondanks de verwonding van Grietje fietste het tweetal eerst richting Augustinusga. Toen Grietje niet meer kon, gingen ze in de berm zitten. Na een poosje fietsten ze terug naar de Achterweg en gingen richting Surhuizum, waarschijnlijk om naar een dokter te gaan. Na een paar honderd meter gingen ze weer in de berm zitten. Boer Luinstra die er vlakbij woonden, hoorde een tweetal schoten. Toen de politie arriveerde bleek dat Durk Grietje had doodgeschoten en daarna zelfmoord had gepleegd.

 

Douwe “Moes” van der Wal.

Mooi weer, slecht weer, Douwe was altijd op pad om papier en karton op te halen. Het karretje dat hij bij zich had,
 duwde hij fanatiek voort. Voor Douwe was het echt werken; hij vond dat je niet moest lanterfanten en de kantjes er af lopen; volgens Douwe moest iedereen werken. Als hij onderweg een ploegje arbeiders bij elkaar zag staan praten, werd hij kregelig. Hij zei dan tegen hen, dat ze maar beter aan het werk konden gaan.

 

Douwe van der Wal, bijgenaamd Douwe ‘Moes’ was zwak begaafd. Hij was echter als normaal geboren. Hij had een goedaardig karakter, deed niemand kwaad en was vriendelijk als hij bij mensen aan de deur kwam om oud papier op te halen. Door zijn vriendelijkheid werd hij overal goed ontvangen en gaf men hem hun karton en oud papier mee. Maar als je het eenmaal bij hem verbruid had, dan vergat hij dat nooit weer; je kon niet meer bij hem in een goed blaadje komen.

Douwe was één van een drieling. De baby’s waren bij de geboorte elk ongeveer zes pond, ze waren goed gezond. Toch overleed één van de drieling, Simon, toen hij 16 dagen oud was.

De ouders van Douwe, Anne en Foekje kregen in totaal 14 kinderen. Dit waren Sake, Daniël, Alle, Trijntje, Janke, Antje, Jan, Rapke, Teake, nog een Teake, Foeke, daarna kwam in 1920 de drieling Geale, Simon en Douwe. Simon heeft maar 16 dagen geleefd, Geale overleed op 31- jarige leeftijd. Na de dood van zijn moeder ontfermden zijn broer Foeke en schoonzuster Sjoukje zich over Douwe. Bij hen had hij boven een kamertje. Vanuit zijn kamertje kon hij zo naar zijn geliefde duiven kijken. Douwe heeft 43 jaar bij zijn broer ingewoond, een prestatie waarop Foeke en Sjoukje trots kunnen zijn.

 

Voor de oorlog ging hij de boomwallen langs om hout voor thuis te sprokkelen. Kort na de oorlog verkocht hij petroleum aan de deur. Douwe heeft een korte periode bij de Stipe in Surhuisterveen gewerkt. Hierbij was hij werkzaam op de tuinen bij de Lytsewei. Hij vond het werk daar niet leuk, hij liep steeds weg; hij deed het werk met tegenzin. Hij is er al snel mee gestopt.

Daarna begon Douwe uit zichzelf oud papier en karton op te halen. Er werd een kar aangeschaft en Douwe ging lopend de huizen langs om zo een paar centen te verdienen. Hij liep dan door Harkema, ging naar Surhuizum en Surhuisterveen. Het oud papier verkocht hij aan Durk Postma op de ‘Bulten’ of aan Tjipke van der Bij op de Pauloane.

 

Zijn grootste passie was de duivensport. Achter het huis had hij een duivenhok met stuk of twintig duiven. Hij besteedde er veel tijd aan; maakte de hokken op tijd schoon en verzorgde de dieren elke dag. De jonge vogels probeerde hij, als hij onderweg was, te verkopen. Hij prees ze dan aan met: ’Pûke, towen keepje, tien kone’. Hij bedoelde hiermee: bûke, hij zei tegen iedereen bûke, duiven kopen, tien gulden. Douwe werd daarom ook wel Douwe ‘Fûgeltsje’ genoemd.

 

Zijn broer Foeke, waar hij bij inwoonde, overleed in 1986. Hiervan heeft Douwe veel verdriet gehad. Hij was erg aan zijn broer gehecht. Sjoukje, de vrouw van Foeke, bleef nog een tijd voor Douwe zorgen, totdat het niet meer ging.

Douwe werd opgenomen in het verzorgingstehuis voor gehandicapten Maartenswoude in Drachten. De familie hield hun hart vast of dat wel goed ging. Maar Douwe had geen heimwee, hij voelde zich er thuis en had veel aanspraak van andere bewoners.

 

Op 29 december 1999 is Douwe van der Wal in zijn slaap overleden.

 

Tiet Vaatstra-van der Ploeg, alias Tiet “Woartelpot”.


Overal kwam je Tiet tegen; was je bij de kruidenierswinkel Van der Herberg in Surhuisterveen of bij de slager in Harkema, Tiet liep altijd voorbij; ze was altijd onderweg. Je zag haar overal lopen, in de zomer droeg ze een witte gebreide muts, in de winter een zwarte gebreide muts met lange zwarte mantel.

Een fiets heeft ze nooit gehad, de hele omgeving werd met de benenwagen doorkruist.

Soms kreeg ze hoge nood; Tiet ging dan aan de kant van de weg op de hurken zitten en liet ‘het’ lopen; men zei daarom ook wel Tiet ‘Pispot’ tegen haar.

Tiet van der Ploeg werd geboren in 1869 in Kooten. Ze was een dochter van de ongehuwde Grietje van der Ploeg. Tiet trouwde in 1906 met Hendrik Vaatstra. Het echtpaar kreeg zeven kinderen: Witte, Taede, Gerrit, jong overleden, Grietje, Jakob, Teije, Jan op 2-jarige leeftijd overleden en nog een Jan.

Hendrik Vaatstra overleed in 1919 op 52-jarige leeftijd. Tiet bleef met haar gezin, waarvan een paar kleine kinderen, achter. Ze was al op haar 46ste jaar weduwe. Voor haar brak, vooral gedurende de crisistijd van de jaren dertig, een moeilijke tijd aan. Ondersteuning was er nauwelijks, gelukkig waren de twee oudsten, Witte en Taede oud genoeg om te werken en bij te dragen in de huishouding. Was er toch nog geld te kort dan ging ze lopend naar Buitenpost om van de armenvoogdij of van de kerk financiële hulp te vragen. Daarnaast was Tiet huishoudster bij verschillende families.

Zoals gezegd, was Tiet altijd lopend onderweg. Toen juffrouw Ennema in 1929 uit Harkema wegging en naar Leeuwarden verhuisde, bleef Tiet werkster bij Ennema. Tiet was toen al zestig jaar. Haar wekelijkse tocht naar Leeuwarden werd lopend afgelegd, ‘s morgens vroeg op pad, ‘s avonds na een dag werken weer terug; een bijzondere prestatie.

 

Tiet had een goedaardig karakter, ze was altijd vrolijk en gul van het weinige dat ze had. Bekend is dat ze altijd pepermuntjes ronddeelde. Ondanks dat ze 46 jaar lang overal alleen voor stond, bleef ze opgewekt. Maar ze was ook ongedurig, erg onrustig en overdreven. Ze kon het niet lang ergens uithouden. Daarom was ze weinig thuis, ze was altijd op pad.

 

De jeugd plaagde haar vaak. Ze was wel tegen de plagerijen opgewassen, ze stond haar mannetje wel. Als het te gek werd, nam ze een ijzeren staaf voor onderweg mee. Werd ze weer eens geplaagd dan trok ze de staaf onder haar mantel vandaan en bedreigde haar plaaggeesten. De kinderen dropen dan af. Kortom, een pittige dame.

 

Met Hendrik woonde ze aan een zandreed in de ’Smoarhoeke’. Toen ze op hogere leeftijd alleen was, moest ze noodgedwongen van de ene plaats naar de andere verhuizen. Ze woonde eerst in een kamertje bij Jan en Froukje Jager op De Singel. Daarna in een kamertje bij Willem ’Peule’ Nicolai en zijn vrouw Bintje Borger, ook op De Singel.

Daarna ging ze bij Ytzen ’Blau Poatlead’ en Rinsk van der Veen, een ongetrouwde broer en zuster, aan de Nijewei wonen; Ytzen ’sútele’ voor zijn broer Sjouke met petroleum.

Daarna woonde ze een maand op It Langpaed bij een neef van haar overleden man die daar een boerderijtje had. Vervolgens had ze een kosthuis op de hoek van de Drachtsterweg en de Kolonieweg in Opende, vlakbij Parkheem. Tussendoor heeft ze nog kort gewoond bij Willem ‘Bokking’ Stienstra in de Warmoltsstrjitte.

Haar laatste woonplaats was de Wilhelminahoeve in Opende, in de volksmond ’Schobbert’ genoemd.

 

Toen Tiet in de Wilhelminahoeve woonde, kwam ze een paar keer per week lopend bij haar lievelingszoon Jan en Trijntje in Kornhorn. Ze klaagde dan over de slechte behandeling die ze op de Wilhelminahoeve kreeg. Ze mocht niets, het was er erg streng. Ze was eens zo kwaad op de directeur-eigenaar Schobbert dat ze hem bij een ruzie toesnauwde ’ik sil dy deastekke’. Ze was toen al zo’n 85 jaar.

Tiet Vaatstra-van der Ploeg is op 2 mei 1957 op de Wilhelminahoeve overleden, ze is 88 jaar geworden.

 

 

 



 

Uw advertentie hier? neem contact met ons op.


contact      disclaimer      design BC